Stille getuigen…

Daar staan ze dan, de twee stille getuigen van de ernstigste – en na ruim vijfenveertig jaar vermoedelijk laatste – huwelijkscrisis die mijn man en ik hebben beleefd. Ik word overvallen door een gevoel van nostalgie.

“Onbezonnenheid hoort bij jong zijn,” mompel ik voor me uit.

We schrijven 1982. Het is een zoele nazomerdag in Parijs en ik ben in mijn eentje in de gezellige wijk Le Marais aan het funshoppen – nee, niet op de Place des Vosges, dat laat de portemonnee niet toe – maar in een van de zijstraten die uitkomen bij het Centre Pompidou. Manlief op zijn beurt legt een bezoekje af aan het Musée Marmottan om de prachtige Claude Monets aldaar te bewonderen.

Het is onze gewoonte om, na samen te hebben genoten van alles wat die prachtige stad te bieden heeft, de laatste dag van de trip onze eigen weg te gaan en te doen waar we zelf op dat moment zin in hebben. Aan het eind van de dag zien we elkaar terug op een, uiteraard, vooraf afgesproken plek. Het weerzien was deze keer echter heel anders dan anders, althans toen de repercussies van een zekere aankoop tot ons begonnen door te dringen.

Aan het eind van de dag, ongeveer een uur voor winkelsluitingstijd, valt mijn oog onweerstaanbaar op een paar waanzinnig originele zwarte bottines, subtiel afgezet met een rood randje en voorzien van roodleren enkelriempjes, die staan te prijken in de etalage van een chique schoenenzaak. Ik krijg het warm en koud tegelijk, begin over mijn hele lichaam te beven, moet naar adem snakken en wordt overvallen door een acute aanval van bezitsdrang. Het is liefde op het eerste gezicht, en de liefde bekoelt in het geheel niet – zoals heus weleens gebeurt – als ik het prijskaartje ontwaar. Een kleine zevenhonderd Franse franks, destijds rond de tweehonderdvijftig gulden: in die tijd een klein vermogen, althans voor mij.

Koortsachtig laat ik mijn hersens ratelen als een ouderwetse kassa. Hoeveel geld zit er nog in de knip? Ik beheer de portemonnee, en manlief heb ik alleen geld meegegeven voor museum, lunch en metro. De banken zijn dicht, het is na vieren, dus ik kan geen cheque inwisselen voor contant geld – het verschijnsel ‘flappentap’ bestaat nog niet.

Ik moet het zien te redden met het contante geld, wat betekent dat ik na aanschaf voor de reis terug genoeg cash over moet hebben voor tolweg en benzine. Dat moet lukken! Na zeker tien keer wikkend en wegend langs de etalage te hebben gelopen, race ik vijf minuten voor sluitingstijd naar binnen, pas de laarsjes, betaal ze en begeef me zielsgelukkig met mijn aanwinsten in fraai Isiska – Paris tasje naar de afgesproken plek.

Na elkaar warm te hebben begroet, reik ik mijn man het tasje aan. Een blik in de doos werpend erkent hij volmondig dat zijn vrouw een uitstekende smaak heeft. Nog steeds met het tasje in de hand stelt hij voor bij Le Poulailler te gaan eten, een waanzinnig maf restaurantje met levende have, dat gespecialiseerd is in coq au vin. Ja, lieve lezer, een zeer toepasselijke naam dus.

“Eten?” vraag ik verdwaasd.

“Ja, eten,” antwoordt hij al half geïrriteerd. “Ik heb honger.”

Het bloed trekt weg uit mijn gezicht. Ik moet slikken. Ik sla mijn ogen neer. “Oeps.”

(O, nee, zo zeiden we dat toen nog niet.)

“Tjemig, eh… o, jee, daar heb ik niet bij stilgestaan.”

“Wat bedoel je?” vraagt hij met gefronste wenkbrauwen.

“Eh… er is eh, alleen nog geld voor tolweg en benzine. Heb totaal niet aan eten gedacht.”

“Wat? Ben je gek geworden of zo? Ik ga toch zeker niet vijf uur rijden op een lege maag!?” roept hij midden op de Boulevard de Sébastopol. Menig voorbijganger observeert ons geagiteerde gedrag heimelijk.

Tja, de liefde van de man gaat door de maag, maar bij vrouwen kan die nu eenmaal aan haar voeten zitten… Crisis dus.

Als een bezetene begint hij – het Isiska-tasje nog in de hand – over de boulevard heen en weer te rennen op zoek naar een bank. Een absurd beeld dat in principe aanleiding geeft tot lachen, wat ik wijselijk achterwege laat.

Maar zoals ik de lezer al heb laten weten, de banken zijn dicht. Het noodlot aanvaardend met een vrouw getrouwd te zijn die zich soms wat te veel door haar impulsen laat leiden en bovendien niet kan rekenen, loopt hij met versnelde pas voor mij uit naar de auto. Ik sukkel achter hem aan met conflicterende gevoelens van schaamte, berouw en vreugde om… het voorwerp van onze ruzie.

Bijna de hele reis zitten we zwijgend naast elkaar. Ik durf ook nauwelijks iets te zeggen, durf het woord laarsjes uiteraard al helemaal niet in de mond te nemen, en steek alleen op zijn gebaar zo nu en dan een sigaret voor hem op. De thuiskomst kan ik me niet meer goed herinneren, maar toen de magen de volgende dag weer aangenaam gevuld waren, konden we er – weliswaar schaapachtig – toch wel om grinniken.

Maar nu komt het… Bijna vijfendertig jaar na dato heb ik die laarsjes nog steeds, dráág ik die laarsjes nog steeds. Mijn dochter, zo mogelijk nog gekker op schoenen dan haar moeder, is er ook weg van en kan het niet uitstaan dat haar voeten een maat groter zijn dan die van mij…

En als ik ze draag, kan mijn man nog steeds verzuchten: “Het was even crisis, maar wat zijn die laarsjes dat waard geweest!”

Zo ziet u maar, lieve lezer, soms kan het helemaal geen kwaad als een vrouw toegeeft aan haar impulsen: crises drijven over, maar kwaliteitsschoenen blijven bestaan!

©Renée O, 2011, herzien, 2017

cropped-rozen2.jpg

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s